Politiek

'Anti-radicaliseringsbeleid weinig transparant en onvoldoende controle'

19 februari 2018, 15.34 uur · Aangepast 19 februari 2018, 18.44 uur

Het Amsterdamse anti-radicaliseringsbeleid is te weinig transparant en wordt onvoldoende op inhoud getoetst. Dat concludeert terrorisme-expert Beatrice de Graaf, die in opdracht van de gemeente het beleid van de laatste jaren tegen het licht hield.

'Kennis werd te weinig centraal, open en transparant gedeeld en besproken. Stadsdelen stonden er te veel alleen voor - of hielden dat zelf in stand', zo valt te lezen in de 'quick scan': een beperkt onderzoek, bedoeld om de grootste pijnpunten bloot te leggen.

Lees ook: Van der Laan oordeelt hard over 'onprofessioneel en gesloten' anti-radicaliseringsteam

'Ambtelijke angst'
Het onderzoek is onderdeel van een bredere evaluatie, waarin het hele stelsel doorgelicht wordt. Aanleiding hiervan was de belangenverstrengeling van de inmiddels ontslagen beleidsmedewerker Saadia Ait-Taleb. Hoe die belangenverstrengeling precies heeft kunnen plaatsvinden, is onderwerp van een ander onderzoek. Dat onderzoek, uitgevoerd door een gemeentelijke taskforce, is ook maandagmiddag gepubliceerd.

In het rapport, dat De Graaf samen met haar Leidse collega Daan Weggemans schreef, blijkt dat er te veel geheimhouding plaatsvond uit zowel 'ambtelijke angst' en 'commercieel belang'.

Lees ook: Vrees om verloren kennis bij aanpak radicalisering

Hoewel Amsterdam na de moord op Theo van Gogh voorop liep in anti-radicaliseringsbeleid, is het beleid nu vergelijkbaar met dat van andere steden. Maar in de periode 2010 - 2014 verminderde de kracht van het beleid, onder meer door bezuinigingen van het Rijk.

Toen in 2015 het fenomeen Syriëgangers opkwam, moest in allerijl weer een krachtig anti-radicaliseringsbeleid op touw worden gezet. Daarbij zijn steken laten vallen. Het beeld dat De Graaf en Weggemans schetsen, is dat van een gebrek aan een lange termijnvisie en de slager die zijn eigen vlees keurt.

Geen 'vier-ogen-principe'
Risico op integriteitsschendingen kreeg structureel te weinig aandacht. Zo was er geen sprake van een 'vier-ogen-principe', waardoor er een gebrek was aan bewijs van geleverde prestaties, en als offertes werden overschreven werd dat niet zonder meer opgemerkt. Ook bleven achtergrondchecks bij externe partijen (soms) achterwege.